God bewijzen?
De mens: sprekend een aap. Of: een sprekende aap. Is het
dan niet arrogant om het bestaan van God te willen bewijzen? Misschien is dit
wel alles wat wij over God kunnen zeggen:
Maar dan zonder grenzen; God is groter dan wij denken. God
denken wij als het wezen groter dan het welk niets gedacht kan worden. Maar om
de grootste te zijn, moet je ook bestaan – anders ben je niets. Dus God
bestaat. Een verrassend godsbewijs van een monnik, Anselmus, uit de elfde eeuw.
We kunnen het niet laten – in
het openbaar denken over God. Binnen de regels van het menselijke spel, met
hetzelfde verstand dat we gebruiken bij de afwas. Niet preken vanuit de eigen
verzekerdheid, niet terugtrekken op het eigen gelijk, niet schuilen in de warmte
van een gevoel. Wat is er met beperkte middelen te zeggen? Monniken en filosofen
hebben van alles geprobeerd. En van alles afgeschoten. Hier volgen nog drie
voorbeelden. Ieder geven ze een eigen invulling van dat woord ‘God’. Want
het is niet zo dat we alleen nog niet zeker weten of X wel bestaat – het is
ook de vraag wat we bij die X invullen: Hij, Zij, Iets, Iemand, Niemand.
Voor een verstandige neef
Jij gelooft, terecht, in
evolutie. En in natuurkunde, de regels van het spel. En in de scheikunde, die
laat zien hoe met een paar bouwstenen een rijke variatie aan materialen en
weefsels mogelijk is. De werkelijkheid wordt van die kennis niet minder.
Integendeel, wanneer we alles zien als materie, dan moeten we ons beeld van
materie bijstellen. Materie is in staat tot vliegen, tot wetenschap, tot
musiceren, tot liefhebben. Nooit hoeft er te worden overgeschakeld van de
automatische piloot op handbediening. Geen man met een baard op een wolk, geen
Sinterklaas die kadootjes door de schoorsteen gooit.
Wetenschappers geven telkens antwoord op vragen die op hun terrein liggen.
Ze schuiven ook telkens vragen door naar collega’s. Uiteindelijk blijven er
na al hun goede werk vragen over de fundamentele regels over: Waarom gedraagt de
materie zich zoals die zich gedraagt? Waarom zijn de natuurwetten zoals ze zijn?
En er resteren vragen van historische aard: Waar komt alles vandaan? Zulke
vragen duiken telkens weer op. Het zijn vragen ‘aan de grens’ van de
wetenschap. De horizon verschuift. Verwondering staat aan het begin van de
wetenschap, maar ook aan het eind.
Zulke vragen passen bij het beeld van God als schepper. En als er zo’n
God zou zijn, dan is deze wereld diens werk – God handelt door de natuurwetten.
Een kosmologisch godsbewijs - God als de Eerste Oorzaak? Om het een bewijs te
noemen, suggereert te veel zekerheid. Het woord ‘Mysterie’ zou kunnen passen.
Of ‘dragende grond’ – het papier waarop een tekening haar plaats heeft, de
stilte die de muziek haar ruimte geeft.
Voor een bereisde vriend
Als je wieg in India had gestaan, dan geloofde je in een
God met een slurf. Vroeger heetten andere volkeren ‘barbaren’ en ‘wilden’,
maar volgens jou kunnen wijzen ook uit het oosten komen. Er zijn zoveel goden en
geloven. Een godsbewijs in een veelkleurige wereld, hoe zou dat kunnen luiden?
Het Ene kan zich tonen in veel vormen, zoals het licht dat wordt gebroken
in een kristal – alle kleuren van de regenboog. Zo is misschien God het
gemeenschappelijke achter al die wijsheid, telkens gebroken door andere
kristallen, toegesneden op andere uitdagingen. God als de gemeenschappelijke,
zuivere bron waaraan veel rivieren ontspringen. Dit heet een bewijs uit de
overeenstemming der volkeren. In de geleerdentaal van vroeger, het Latijn,
noemden ze dat een bewijs e consensu
gentium. Maar waar zijn de grote religies het echt over eens? Het beeld
vraagt om bescheidenheid. En om interesse in de ander – want die kan ons wat
leren over het Ene Licht. Bij de een waarderen we de band met de aarde, bij een
ander juist de onthechting in meditatie. En weer een ander kan ons iets leren
over liefde voor een vijand.
Er zijn heel veel talen. Maar niemand spreekt taal. Je spreekt een taal – Nederlands, Engels, Turks, of Surinaams. Niemand heeft
‘de mens’ lief; ik heb deze mens lief, dé liefste. Daar heb ik geen drie
miljard vrouwen voor bekeken – zo is het voor mij. Met mijn taal, met deze
persoon en deze erfenis aan verhalen en gebruiken besta ik. Het is als met een
oude kathedraal. Pas door binnen te gaan beleef je de schoonheid van het
glas-in-lood. Door mee te zingen breekt soms even licht door. Waarbij we ook de
verleiding kennen van overspel: beperken we ons, investeren we in de diepte, in
ons leven met deze schat aan liederen en verhalen, of hollen we van de ene naar
de andere plek, om verrijkt te worden door verscheidenheid?
Voor een verdrietige vriendin
Je bent verdrietig, om het verlies van je makker, je vader,
je zoon, je broer. Je bent geraakt door het lijden van de twintigste eeuw. Net
als Ivan Karamazov uit Dostoyevski’s roman, verzet je je tegen het goedpraten
van ellende. Als lijden de prijs is, als dat is wat een goede God van ons vraagt,
dan bedank je er voor. Eeuwige gelukzaligheid is geen rechtvaardiging voor het
lijden van onschuldige kinderen. Wetenschap laat misschien ruimte voor
verwondering, en in alle toevalligheid van tradities en relaties kan iets
waardevols zich melden. Maar wat is hier nog te zeggen?
Misschien, heel voorzichtig, mogen we spreken over het visioen van vrede
en recht als een visioen dat ons adem geeft. De filosoof Immanuël Kant komt bij
het denken over goed en kwaad te spreken over God. Juist omdat het onrecht niet
het laatste woord mag hebben. Of God dan bestaat? Is ‘bestaan’ wel het
juiste woord? Het visioen, de gedachte aan God, aan het Goede, is een idee dat
invloed uitoefent – een regulatief idee – en als het invloed uitoefent, is
het dan ook niet iets wat werkelijk is? Werkelijk, ook al ‘is’ het er niet
als een ding dat wij in onze greep hebben. Gelukkig maar, dan kunnen we ook niet
fanatiek elkaar de maat nemen omdat wij precies zouden weten wat het Goede
uiteindelijk behelzen zou.
Vragen voor een theoloog
Drie verhalen. Zijn ze steekhoudend? Wijzen ze naar
dezelfde God? In de christelijke traditie zijn oorsprong en bestemming verbonden
met elkaar en met het verhaal over die timmerman uit Nazareth. Hoe houden we het
bij elkaar?
Willem B. Drees
Deze tekst verscheen eerder in De Gids voor Radio en TV
van de NCRV, nr. 6 (5-11 februari 2000), pp. 14-15.
Enkele van de genoemde beelden zijn ontleend aan bijdragen
van M. Rougoor en H.J. Adriaanse in Een
beetje geloven: Actualiteit en achtergronden van het vrijzinnig christendom
(Balans, 1999).