Binnen- en buitenperspectieven: de filosofische dimensie van de geesteswetenschappen

Willem B. Drees, maart 2013

 

In het voorjaar van 2013 vroeg het weekblad De Groene Amsterdammer diverse hoogleraren in de geesteswetenschappen om hun visie op de toekomst van deze vakgebieden. Een en ander heeft geleid tot een thematische behandeling in De Groene van 31 oktober 2013. Hieronder de bijdrage die ik in februari 2013 heb ingezonden. Het werd geschreven in de context van mijn toenmalige werkzaamheden in Leiden als hoogleraar Godsdienstwijsbegeerte en ethiek, tevens vice-decaan onderwijs in het faculteitsbestuur van Geesteswetenschappen. Het toont mijn visie op het belang van de praktisch-wijsgerige reflectie met oog voor culturele diversiteit.

Willem B. Drees

In de verre toekomst zijn er in de brede universiteit misschien drie grote domeinen:

 

– fundamentele natuurwetenschappen (natuurkunde, sterrenkunde), wiskunde en informatica;

 

– levenswetenschappen, van scheikunde tot geneeskunde, inclusief grote delen van de psychologie en pedagogiek als bestudering van de menselijke levensloop; en

 

– cultuur- en geesteswetenschappen, met culturele antropologie en sociologie, studie van taal- en cultuurgebieden, rechtsgeleerdheid, wijsbegeerte, mediastudies (inclusief kunstgeschiedenis en literatuurwetenschap), taalwetenschap, geschiedenis en godsdienstwetenschappen. Mijn deelterrein, de godsdienstwetenschappen, heeft in feite al een dergelijke breedte, met ook sociaalwetenschappelijke bestudering van religie, religie en recht, en zo meer.

 

Binnen de cultuur- en geesteswetenschappen zie ik drie hoofdstromen.

 

(1) Eén ontwikkeling is die van e-humanities, het gebruik van grote data-verzamelingen, en het zoeken naar patronen en variaties in patronen. Dat wordt gepresenteerd door Rens Bod, De vergeten wetenschappen: Een geschiedenis van de humaniora. Prachtig werk. Het boek benadert geestes­weten­schappen naar het model van de empirische wetenschappen, en gaat daarmee helaas echter voorbij aan de minder goed grijpbare vraag wat we met kennis over dergelijke patronen doen.

 

(2) Een tweede stroom: kennis van zaken over anderen, maar ook over onze eigen geschiedenis en omgeving. Zo zijn de cultuurwetenschappen enigszins encyclopedisch van aard. Dit is niet strikt gescheiden van het voorafgaande, maar toch een ander accent: Geesteswetenschappen maar ook Rechtswetenschappen als plekken waar kennis van zaken bestaat, met name betreffende culturen en samenlevingen, vaak bemiddeld door kennis van bij ons minder gangbare talen. Dergelijke kennis heeft een onmiddellijk economisch en politiek belang, voor veiligheid, welzijn en welvaart. Om de Ganges ecologisch beter te beheren, moet er ook kennis zijn van de culturele betekenis van die rivier. Kennis van ‘de ander’, in alle diversiteit die er is, is waardevol, en daarom zijn de geestes- en cultuurwetenschappen van belang, want daar vindt je mensen die kennis van zaken hebben.

 

(3) De meer filosofische dimensie van de geesteswetenschappen, als zelf-reflectie van mensen die in hun eigen levens, individueel en gezamenlijk als burgers keuzes moeten maken en een koers moeten kiezen. Deze thematiek past niet goed in een wetenschappelijk kader op zoek naar feitelijke kennis en samenhangende patronen, maar maakt wel dat geesteswetenschappen belangrijk zijn, ook in hun meer filosofische oriëntatie. Het gaat om de vraag hoe wij zelf in het leven staan en zouden moeten staan. Kennis van andere culturen en talen is prachtig, en heeft groot economisch en maatschappelijk belang, maar bij alle kennis over de geschiedenis én het heden van anderen en van ons eigen cultuurgebied, blijft de vraag ‘so what?’ In de ontmoeting van culturen is er de vraag wat we wel of niet ons toe-eigenen, en hoe kennis over een ander ons zelf zou moeten beïnvloeden. Het gaat om normatieve, esthetische en existentiële vragen, in rechtsfilosofie, politieke filosofie, wetenschaps­filosofie, esthetica, en godsdienstwetenschappen.

 

Het filosofische denken (en dat is meer dan de disciplinaire filosofie en anders dan de bestudering van filosofen als historisch gegeven) staat telkens op het snijvlak van twee invalshoeken: een insiders-perspectief waarin het gaat om identiteit en normativiteit, en een outsiders perspectief waarbij beschrijving en verklaring overheersen. Zo bemiddelt de ‘philosophy of mind’ tussen de neurowetenschappelijke bestudering (buitenstaandersperspectief) en de beleving vanuit het binnenperspectief als persoon met bewustzijn, vrije wil, identiteit. De wetenschapsfilosofie van de laatste decennia, na Thomas Kuhn en de wending naar de wetenschapsgeschiedenis en –sociologie, heeft volgens mij tot taak het gezag van natuurwetenschappen en de aard van wetenschappelijke vooruitgang te begrijpen zonder er aan voorbij te gaan dat wetenschap in een sociaal proces tot stand komt. De politieke filosofie gaat verder dan de politieke wetenschappen die de diversiteit in stromingen en praktijken in beeld brengt, naar de vraag waarover wij als burgers uiteindelijk over moeten beslissen, welke politieke structuren wenselijk zijn, en waarom.

 

Zo zie ik ook mijn eigen vak, de godsdienstfilosofie als de bezinning op de vraag welke existentiële overtuigingen en oriënterende wereldbeelden enige plausibiliteit en waarde kunnen hebben, in het licht van de kennis die we hebben over levensbeschouwelijke praktijken, psychologische mechanismen, en natuurlijke processen. Zo zit de godsdienstfilosofie tussen de descriptieve godsdienstwetenschappen waarin een methodologisch agnostische opschorting van een oordeel thuis hoort, en iedere weloverwogen afweging betreffende de eigen positiekeuze, seculier dan wel religieus, in eindeloos veel varianten. Meer in het bijzonder is daarbij de verhouding tussen onze existentiële en normatieve keuzes en de natuurwetenschappelijke kennis, in alle geografische, culturele en systematische variatie die die interactie heeft, een fascinerend gebied van onderzoek, dat onder meer zijn neerslag vindt in het (door mij geredigeerde) wetenschappelijke tijdschrift Zygon: Journal of Religion and Science.