|
|
|
|
De naakte waarheid van Kuitert Pesentatie in de Laurenskerk te Rotterdam op donderdag 12 oktober 2000, bij de aanbieding van het eerste exemplaar van H.M. Kuitert, Over religie: Aan de liefhebbers onder haar beoefenaars; deze tekst is ook verschenen in HN Magazine. Voor meer informatie over H.M. Kuitert, zijn nieuwste boek, en de reacties daarop, zie www.hmkuitert.nl . <Aard
van het project: Aan de liefhebbers> Tweehonderd-en-één jaar geleden verscheen een boekje met als titel Über die Religion: Reden an die Gebildeten unter ihren Verachtern van de Duitse theoloog Friedrich Schleiermacher. Honderd jaar geleden verscheen een boek met als titel Das Wesen des Christentum, van de Duitse theoloog Adolf von Harnack. En nu hebben wij dan H.M. Kuitert een nieuw boek met als titel Over religie: Aan de liefhebbers onder haar beoefenaars. Voor alle drie de auteurs geldt dat ze radicaal zijn om conservatief te zijn. Om de kern te behouden, het wezen van het religieuze geloof, menen zij allerlei ballast overboord te moeten zetten. De naakte waarheid is te prefereren boven verhullende schijn. De Engelse cabaretgroep Monty Python heeft ooit een film gemaakt over het leven van Brian, een figuur die ook zo’n tweeduizend jaar geleden in Palestina geboren zou zijn. Brian krijgt een schare volgelingen, meer dan hem lief is. Op een gegeven moment rent hij weg, op de vlucht voor die schare bewonderaars. Daarbij verliest hij een sandaal. Sommige achtervolgers zien dit als een teken om na te volgen – ‘wij moeten allemaal onze linker sandaal uit doen’. De waarom-vraag is niet relevant; het geloof bestaat nu eenmaal uit vreemde gebruiken en uiteindelijk is het geloof toch een mysterie. Kuitert richt zich volgens de ondertitel van dit boek tot ‘de liefhebbers onder haar beoefenaars’. Dat zijn die volgelingen van Brian die zich van hun sandaal ontdoen, begeesterd zonder kritische zin. Daarbij is nu te denken aan de mensen die de wierook en het theater liefhebben, de nieuwe katholieken die zich met name op schoonheid en emotie richten. Overigens niet alleen de katholieken; Kuitert heeft ook oog voor niet-christelijke religiositeit, de bonte verzameling van opties die als ‘New Age’ worden aangeduid. En voor de intellectuele liefhebbers, de protestantse systeembouwers die met ijver, vlijt en vernuft hun wijsgerige en theologische luchtkastelen opbouwen. Want in het spoor van Kuitert mag je wel spreken van leerstellige luchtkastelen, imposant maar niet realistisch, niet goed verankerd. Liefhebbers spreekt hij kritisch aan – want met alle pracht, praal en pretentie ondermijnen zij de geloofwaardigheid van de religie. Liefhebbers zijn er in allerlei soorten en maten. Naast de zojuist aangeduide liefhebbers van het ‘overstatement’, in leerstellige of liturgische zin, zijn er ook al die gewone mensen die met hun onzekerheid, hun angst en verdriet, beschutting zoeken in een geloofsgemeenschap, geraakt zijn door een traditie. Kuitert laat hen niet in de kou staan. Hij is in dit boek naast een filosoof en theoloog die de traditie kritisch bevraagt ook een pastor die met de mensen begaan is. Misschien komt dat wel eerst, en is hij juist daarom zo kritisch over de luchtbellen, de schone schijn die zo vaak aan mensen verkocht wordt als echt geloof. De vraag is wie de echte mensenvriend is: de kwakzalver met de mooie praatjes en smeerseltjes, of de scepticus die vraagt wat echt betrouwbaar is. De eerste zin van de inleiding is dan ook: ‘Laat je niet bij de neus nemen!’ Goedgelovigheid is geen deugd. Ook uit de inleiding: ‘Tegen de wind in maïs blazen, met z’n twintigen een zweethut worden ingepropt, sacrale maaltijden opdienen – kom nou, hebben jullie niet stevigers gevonden om de tanden in te zetten?’ Of, veel later in het boek, schrijft hij over het vallen in de handen van ‘leugengeesten’, de ‘zogenaamde doorgevingen die op naam staan van Jakob Lorber, David Neal Walsh, Helen Schucman, of hoe ze verder ook mogen heten’. Wat ze beweren ‘is behalve kolossale bluf ook nog eens totale onbelangrijkheid, zo niet erger: het bedriegen van goedwillende en eenvoudige mensen.’ Kuitert zoekt naar het wezen van de religie, de kern. Daarin is hij sober om niet te zeggen destructief – de eerste helft van het boek heet dan ook ‘ontmanteling’. Er moet veel worden afgebroken, juist om helder te krijgen wat echt is, wat een gezonde basis kan zijn. Want dat is uiteindelijk de ambitie van dit boek; de tweede helft van het boek heet dan ook ‘Terugvinden’. Metaforen die aan het bouwen zijn ontleend – afbraak en opbouw, reconstructie, maken – zijn wat hem betreft kennelijk niet helemaal geschikt. Of de metafoor van ‘ontmanteling’ dat trouwens wel is, is een vraag – ‘ontmanteling’ roept het beeld op van de ‘naakte waarheid’, waarschijnlijk voor hem en mij een schone vrouwengestalte want de waarheid is aantrekkelijk, een schone gestalte die verborgen zou zitten onder de vele lagen van aankleding. Misschien zou ik hier nog eens twee eeuwen verder terug kunnen gaan dan Schleiermacher, naar een van de oervaders van het denken over wetenschap, Francis Bacon, die in onze tijden bekritiseerd is voor zijn seksistische taalgebruik – zo spreekt hij van het ontsluieren van de natuur. Met name wil ik hier van Bacon noemen de vier afgoden, ‘idols’, die hij benoemde als denkbeelden die ons bij het zoeken naar ware kennis in de weg staan. Er zijn de idolen van de stam, eigen aan de menselijke aard – de misvatting dat onze zintuigen directe kennis van de werkelijkheid geven, de invloed van onze gevoelens en verlangens op ons oordeel over wat het geval is. Er zijn ook de idolen van de grot, de misvattingen die ontstaan doordat we ons eigen perspectief als de waarheid aannemen, de schaduwen aanzien voor de werkelijkheid. Er zijn de idolen van het marktplein, de misvattingen die ontstaan doordat we taal gebruiken die meerzinnig is; misvattingen ook doordat we bij woorden denken aan echte entiteiten, onvoldoende bedacht zijn op ficties. En er zijn idolen van het theater, van de systemen van filosofie en theologie die de werkelijkheid voor ons ensceneren, en daarmee het zicht op die werkelijkheid verstoren. Bij Kuitert zie je, zonder dat hij ze zo benoemt, een ijverige strijd tegen deze idolen. Voorop staat de strijd tegen de idolen van het theater, dat wil zeggen van de theologische systemen, en tegen de idolen van de marktplaats, bijvoorbeeld wanneer het gaat over dat zo eenvoudige woordje ‘god’. <Stijl> Nu heb ik u wel gesproken over het boek, maar meer over de aard van het project, en daarmee over de beoogde lezers, dan over de inhoud. Dat is ook niet nodig; u kunt het boek zelf straks kopen en lezen. Het leest heel gemakkelijk; de auteur is in gesprek met zijn lezers en met zichzelf, bijna babbelend – wat overigens niet betekent dat er niet over is nagedacht en gelezen, maar dat huiswerk is voor een groot deel verwerkt en vervolgens thuis gelaten; hij spreekt voor eigen rekening, zonder zich al te veel te verschuilen achter voetnoten, citaten, of theologisch jargon. Mijn enige kanttekening bij de leesbaarheid is de voorkeur, soms even, voor ouderwets Nederlands, een klein restje van de tale Kanaäns – al in de ondertitel treffen we de woorden liefhebbers en beoefenaars in een wat ongebruikelijke setting; later woorden als ‘erkentenis’ (90) en ‘het heer des hemels’ (146) – waar het niet om een heer gaat maar om een leger. En Duitse citaten in een tijd waarin Engels overheersend is. Deze inkleding zal de oudere vrienden en vijanden niet hinderen, maar in het belang van jongere lezers had de uitgever misschien in dit opzicht op wat verdere ontmanteling kunnen aansturen. Maar het boek is heel vlot geschreven, vertellend – en dat is misschien ook een gevaar voor de lezer, dat het boek zo snel gelezen wordt, dat de worsteling die de tekst en de thematiek vraagt, niet eens begonnen wordt. Dat zien we ook in de eerste reacties, die vooral gebaseerd zijn op de ‘samenvatting’ van het boek in een enkele slogan, en die daardoor geen recht doen aan de overwegingen, de strijd en nuances. <Inhoud> Laat ik toch ook een paar woorden over de inhoud zeggen. In de eerste helft draait het om twee vragen: Wat is geloven? en Wat bedoelen we met het woordje ‘God’? Over de aard van geloven zijn er twee boodschappen die enigszins tegen elkaar in gaan. In het Woord Vooraf schrijft hij ‘Geloven, althans in christelijke zin, is wat anders dan er een aantal merkwaardige voorstellingen op na houden over God, Jezus, hiernamaals en wat niet al. Ze doen hun dienst, die voorstellingen, maar ze vervangen niet geloven als betoon van geest en kracht.’ De voostellingen zijn niet zo belangrijk. Anderzijds gaat geloven voor hem ook niet op in ‘ontroering en vervoering’, of geruststelling en geborgenheid. Uiteindelijk mag geloven niet opgaan in de functie voor de gelovige. Het zijn niet de voorstellingen, maar ook niet de gevoelens – geloven is gericht op de werkelijkheid die in die voorstellingen geïnterpreteerd wordt en die die gevoelens oproept. In andere woorden cirkelt hij hier rond de thematiek die verbonden is met de beroemdste zin uit de Nederlandse theologie, ‘alle spreken over Boven komt van beneden’. Deze uitspraak, ook van Kuitert, relativeert het belang van de leer en de voorstellingen – het is menselijk spreken, beperkt en feilbaar, constructies – maar laat tegelijk staan dat het gaat om spreken over boven, het spreken wil ergens zo goed mogelijk naar verwijzen. De ontvankelijkheid voor dat wat van elders komt, is er, maar alles wat er beweerd wordt, staat als menselijk spreken ter discussie. Datgene waar naar verwezen wordt is vanouds, althans in de hier gangbare tradities, met het woord ‘god’ of ‘goden’ aangeduid. Een woordje dat, zo vertelt ons Kuitert, lang niet zoveel voorstelt als mensen denken. Het woordje ‘god’ is in eerste instantie een soortnaam, van toepassing op Griekse goden en de goden van Babylonië, de goden van India en Afrika, van de zee en de bergen, goden van de boom en van de bron. Maar het is een soortnaam die vaak gebruikt wordt als een eigennaam, de ene God. Door de eigen stamgod God te noemen, worden al die andere goden ter zijde geschoven. Deze pretentie van exclusiviteit brengt zo z’n problemen met zich mee. Teruggrijpend op de vier idolen van Bacon die ik eerder noemde – hier moeten we oppassen voor het idool van de grot, de neiging om ons eigen perspectief aan te nemen voor het ware licht. Als we bij ‘god’ ons niet al te zeer ons richten op de christelijke toe-eigening van de joodse volksgod, dan is het een woord dat velen verstaan. Overheersend is daarbij het beeld van God als een uitvergroot mens, vaak een man maar een uitvergrootte vrouw is wat Kuitert betreft evenzeer een probleem. We kunnen wel spreken over God als over een mens, maar dat is een vergelijking waarbij we met lege handen staan; we zeggen dat Jan op Piet lijkt, terwijl we Jan nooit hebben gezien. Spreken over God als over Iemand is een voorbeeld, om terug te grijpen op de idolen van Bacon, van de misvattingen van de marktplaats: van een woord dat functioneert op de marktplaats stappen we te lichtvaardig over op de gedachte dat er dus een ding is, of in dit geval een Persoon, waar dat woord op slaat. Kuitert meent dat dit godsbeeld niet houdbaar is, mede omdat we niet op die manier over onze werkelijkheid kunnen spreken als product van het handelen van een persoon – de evolutie vervangt die kijk op God. En wanneer je vervolgens bij de evolutie toch een Lief en Aardig Iemand denkt, dan is de vraag waarom de evolutie zoveel problemen met zich mee heeft gebracht, zo veel erfelijke ziekten en wat niet al. Kuitert neemt met dit boek nadrukkelijk afscheid van de gedachte dat God het beste als persoon kan worden gedacht. En al helemaal van de God die privileges uitdeelt – een beeld dat gegarandeerd leidt tot frustraties wanneer de privileges ons niet toevallen. Spreken over God als Iemand kan soms een goede functie hebben; dat is op zich te begrijpen en te aanvaarden, want, zoals hij zegt, ‘zonder teddybeer vaart niemand wel’. Het geeft ‘rust in de psychische tent’, maar dat is niet voldoende. Het tweede deel begint met de volgende zin: ‘Wil religie meer zijn dan een middel om rustig te worden, meer zijn dan een placebo (‘ik zeg altijd maar: als ze er maar baat bij hebben’), dan moet het religieuze gevoel teruggaan op wat onze subjectieve ervaring overstijgt en tegelijkertijd oproept.’ Zo komt hij uit bij de ‘religieuze oerervaring’ die ‘aan de wortel van alle religies ligt’. Voor de kenners mag het duidelijk zijn hoe dicht hij hier bij Schleiermacher uit komt – niet de traditie bepaalt in eerste instantie de invulling, niet de leer van de drie-eenheid of het geloof der vaderen in de God van Abraham, Izaak en Jacob; het spreken over God of over de grond van het bestaan is uiteindelijk te zien als een interpretatie van een oerervaring van afhankelijkheid. Hoe zullen we over datgene wat zich meldt in de oerervaring te spreken? Kuitert gebruikt in dit boek soms het woord ‘Macht’. Macht die op verschillende manieren nader geïnterpreteerd kan worden – als macht waarin wij geborgen zijn , als macht die ons een uitdaging stelt, als macht die de vraag oproept wat of wie er achter steekt. De psalmen waarin de biochemicus en dichter Leo Vroman de Macht aanroept als ‘Systeem!’ zijn een interpretatie van die Macht. Door afhankelijkheid van de Macht centraal te stellen, maakt Kuitert een keuze in het godsbeeld – God is primair aan de orde als schepper. Wat ook betekent dat alle ambivalentie die in de werkelijkheid aanwezig is, het goede en het kwade, aan de Macht is toe te schrijven. ‘De werkelijkheid, dat zijn de genen, of we er aan sleutelen of niet. De werkelijkheid, dat is de bloeiende brem, dat is ijzer dat niet drijft, dat is de slag aan de Marne, dat is Auschwitz, de koekoek en de nachtegaal, je geliefde die aan MS te gronde gaat, en de Teunisbloem die ’s avonds zijn bloembladen openvouwt. Onze platvloerse, verheven, verschrikkelijke, alledaagse of hoogst ongewone werkelijkheid. En niet een Schepper los daarvan, ergens hoog boven deze werkelijkheid zwevend, maar de Schepper als de werkelijkheid in haar macht over ons. God is als Schepper zijn schepselenwereld, de werkelijkheid.’ De christelijke traditie met haar morele dimensie komt echter, uiteindelijk, wel weer in beeld. De ervaring van afhankelijkheid is ook een ervaring van je aangesproken voelen, en met name van je aangesproken voelen door de behoeftige. In die zin blijft ook veel van de bijbel van grote waarde. Enfin, neem en lees. Kuitert schrijft in dit boek nog veel meer, bijvoorbeeld over de kerken als facilitair bedrijf. Er is ongetwijfeld veel in dit boek waar oude en nieuwe liefhebbers onder de beoefenaren van de religie zich boos over zullen maken; misschien met brieven aan synodes en zo meer. Dan miskennen ze echter hoe bij Kuitert de ontmanteling ten dienste staat van de naakte waarheid, en daarmee ook van geloofwaardig geloof. <Kanttekeningen> Wat mij betreft heeft Kuitert in zijn zoektocht een juiste koers – we kunnen niet om de vragen heen, we moeten onze kennis en onze kritische zin ook inbrengen in de wereld van het geloof, juist daar, om te weten wat heilzaam en wat dwaasheid is. Maar laat ik niet alleen maar instemming betuigen, en afsluiten met twee kanttekeningen – agenda’s voor een verder gesprek. 1. Kuitert vindt uiteindelijk de naakte waarheid in die oerervaring. Hoe is daarover te denken? Ik zou willen dat het waar was, maar aarzel. Ik heb als beeld een figuur uit de Donald Duck in gedachten. De neefjes Kwik, Kwek en Kwak staan weer eens voor een probleem – een grote enge tegenstander. Een paar plaatjes later zie je een figuur die qua lengte opgewassen is tegen de boze tegenstander, die wegvlucht. Maar wanneer de mantel openvalt, dan blijkt de reddende held niet één figuur te zijn, maar de drie neefjes die op elkaar staand één gestalte vormen. Is het één figuur of is het een samenspel van verschillende figuren? Zo ook ten aanzien van de ervaring – Is het dezelfde ervaring die achter alle religies steekt, alleen verschillend bekleedt? Of zijn er verschillende ervaringen in het geding, die samen gebracht zijn in het kleed van de religie? Gaat de Grote Ontmantelaar Kuitert wel ver genoeg, wanneer hij éénheid veronderstelt achter alle verscheidenheid? Weliswaar benoemt hij in het boek verschillende varianten van de ene oerervaring, zoals absolute, totale afhankelijkheid, geluksgevoel, confrontatie met de dood en kwetsbaarheid. Als de Grote Ontmantelaar heeft toegeslagen, vinden we dan een enkelvoudige naakte Waarheid of een veelheid aan waarheidjes? Deze vragen hebben ook te maken met de volgorde die in zijn benadering is ingebouwd – de ene ervaring wordt benoemd in een veelheid van interpretaties. Maar is dat zo vanzelfsprekend; is er niet de benoeming die een eenheid sticht? Het zijn vragen die ook gelden voor de aard van de mens na het verdwijnen van de ziel – is er een ‘ik’ binnen in die veelheid van processen in ons hoofd, of wordt het ‘ik’ als eenheid pas gevormd door het geheel aan processen zoals die naar buiten treedt en wordt benoemd? Is de scheiding tussen de oerervaring en de interpretaties zo netjes in chronologie of logica? Ik vermoed dat we meer te maken hebben met een voortdurend heen en weer tussen interpretatie en ervaring, een voortdurend herzien en hernoemen. 2. Bij de nadruk op de ‘Macht’ komt scheppingsgeloof centraal te staan. Maar in de praktijk van de moderne wetenschap is ‘macht’ niet alleen verbonden met onze afhankelijkheid van een werkelijkheid die groter is dan wij zijn, een werkelijkheid die aan ons vooraf gaat. Macht is ook het resultaat van wetenschap; door de werkelijkheid steeds beter te begrijpen, zijn wij zelf steeds machtiger geworden. Met de techniek kunnen we steeds meer ‘voor God spelen’, zelf macht uitoefenen. Wat dat betreft ben ik benieuwd hoe je verder kan denken over menselijke macht, het menselijke spelen voor God – positief bedoeld, als aspect van de menselijke aard en taak. Te veel alleen de afhankelijkheid benadrukken, lijkt mij nog maar het halve werk. Met de techniek verandert de cultuur en verandert de mens, ook in relatie tot ‘de Macht’. Maar dit zijn grote vragen bij het lezen van dit boek. Genoeg om over verder te denken en te lezen, oplopend met deze grote Ontmantelaar, om te zien hoe we verder kunnen, zonder ons te verstoppen in traditie of warhoofdigheid. <Tot Kuitert:> Rest mij, tot mijn verbazing, de aangename taak om u een sigaar uit eigen doos te presenteren. Over de wisselwerking tussen ervaring en interpretatie te spreken; waar komt nu mijn ervaring vandaan, anders dan van de interpretatie die hier al aan al mijn ervaringen is gegeven! Hierbij mag ik u dan het (zogenaamde) eerste exemplaar aanbieden, u en het boek daar alle goeds bij wensend.
|