L.J. van Holk – een andere krachtige Leidse stem op 26 november 1940

Onthulling gevelsteen voor L.J. van Holk. Judith Bosch (zwarte heod, kleindochter van Van Holk), Wim LeRütte, Zwanet Drees-Roeters en Wim B. Drees

L.J. van Holk – een andere krachtige Leidse stem op 26 november 1940

 Toespraak door Willem B. Drees  

bij de onthulling van een gedenksteen bij het woonhuis van L.J. van Holk

Aangebracht aan Plantage 26 (hoek Utrechtse Veer) te Leiden, onthuld op 26 november 2014.

 

 

Geachte leden van de familie van L.J. van Holk,

geachte leden van de families van de hoogleraren Cleveringa en Barge,

geachte aanwezigen,

 

L.J. van Holk, die leefde van 1893 tot 1982, was vanaf 1931 hoogleraar te Leiden. Hij had als leeropdracht “Encyclopaedie der Godgeleerdheid, de Wijsbegeerte van den Godsdienst, en de Zedekunde”. ‘Zedekunde’ zouden we tegenwoordig ethiek noemen. ‘Encyclopaedie’ is niet een vak dat als een encyclopedie alles kort bespreekt; van ouds is het een vak waarin de aard en plaats van de godgeleerdheid aan de orde is – de juristen hebben het vergelijkbare vak ‘encyclopedie der rechtsgeleerdheid’. Het centrale vak in de leeropdracht was de godsdienstwijsbegeerte. In 1876 werd wettelijk een scheiding aangebracht tussen het kerkelijke en het niet-kerkelijke deel van de opleiding theologie. Aan kerkelijke zijde waren er theologische vakken zoals ‘dogmatiek’. In de openbare universiteit pasten historische vakken. Godsdienstwijsbegeerte werd toen ingevoerd als meest inhoudsgerichte vak, maar zonder binding aan een bepaald kerkelijk kader. In Leiden zijn het vrijwel altijd vrijzinnige theologen, meestal Remonstranten, geweest die deze leerstoel hebben bekleed. Voor Van Holk waren dat de jong gestorven K.H. Roessingh, van wie een portret in de Faculteits­kamer Geesteswetenschappen in het Academiegebouw hangt, en diens ook vrij jong gestorven opvolger H.T. de Graaf; na L.J. van Holk kwamen H.J. Heering en H.J. Adriaanse; vanaf 2001 tot onlangs mocht ik deze leeropdracht vervullen. Van Holk was zeer actief in de vrijzinnige wereld. Hij was predikant voordat hij hoogleraar werd, en telkens weer actief bij de Remonstranten, in de Vrijzinnig Protestantse Radio Omroep, de Vrijzinnige Christelijke Studenten Bond, en zo meer.

Bij Van Holk was er geen scherpe scheiding tussen het academische werk en het persoonlijke religieuze engagement. G.J. Hoenderdaal (1989, 200) omschreef hem als “een meesterlijk essayist”; hij was een actief spreker op bijeenkomsten, voor de radio en later de televisie bij de V.P.R.O. Zijn opvolger H.J. Heering noemde hem een cultuurfilosoof en –theoloog, en schreef:

de Verlichting heeft aan geloof en theologie de verplichting opgelegd zich wereldlijk te verantwoorden – voor zover mogelijk. De rede vindt haar grens bij de mystieke Godsverbondenheid. De godsbeleving is ook buiten de kerk te vinden; doch de navolging van Christus bleef voor Van Holk centraal staan.

In 1939 verscheen van Van Holk De boodschap van het Vrijzinnig Christendom, de uitwerking van een lezing voor de Vrijzinnig Christelijke Studenten Bond. Ik noem de titels van de hoofdstukken, die ik typerend acht voor zijn werk (cursivering van mij): De bestemming van den mensch tot vrijheid / De zin der Verlichting / De navolging van Christus / Van het onvolmaakte / Van de volheid Gods. In de eerste bijlage schetst hij het verschil tussen rechtzinnig en vrijzinnig christendom, als ‘Van orakelgodsdienst tot gewetensgodsdienst’. In de derde bijlage spreekt hij ‘Over gezag’. In één van de tachtig genummerde stellingen, spreekt hij uit dat “in crisis (en dus vervolgings)tijd de uiterste toets voor het godsdienstig gezag telkens weer blijkt te zijn: de volharding der heiligen (het bloed der martelaren), dat wil zeggen: het betoon van machteloos recht tegenover rechtlooze macht.” (p. 148).

Voordat ik toekom aan november 1940, een algemene opmerking. Hij was dus hoogleraar ethiek. Je zou kunnen denken dat het dus vanzelfsprekend is dat hij zich uitsprak zoals hij dat gedaan heeft. Dat is echter een misvatting. Een ethicus kan best immoreel zijn, zoals een kapper zelf kaal zou kunnen zijn.

 

26 november 1940

Bij Van Holk bespeur ik een grote samenhang van zijn persoonlijk leven en zijn academische werk; hij verwacht dat kennelijk ook bij zijn studenten. Die samenhang toont zich ook in zijn college op 26 november 1940. De gebeurtenissen voorafgaand aan die dag en de colleges van Cleveringa en de medicus Barge hoef ik hier niet opnieuw te bespreken. Het college van Van Holk op 26 november had plaats in het Academiegebouw, na de middagpauze. Over dit college verscheen van een studente, bij dit college aanwezig en later promovenda bij Van Holk, W.C.S. van Benthem Jutting (1920), in 1982 een artikel in de Mare op 25 november 1982, enkele maanden na zijn overlijden.[i] Ik citeer hier Van Holk, zoals zij het weergeeft. (Er is geen tekst van Van Holk zelf overgeleverd.)

Dames en heren studenten,

De jongste maatregelen van binnenlands beleid tegen onze Joodse medeburgers hebben ons allen diep geschokt. Wij voelen de maatregelen als een smaad de universiteit en ons volk aangedaan, als een ernstige schade voor onderwijs en wetenschap, als een zedelijk en godsdienstig onrecht. Als christenen lijden wij bovendien mede met den onoverzienlijke stortvloed van leed, die dit over talloze gezinnen gaat brengen, welke een sieraad waren van ambtenarij en rechterlijke macht, van hoger, middelbaar en lager onderwijs.

Ik meen dat het mijn plicht is, na het uitspreken van dit oordeel van ons geweten, studenten er op te wijzen dat een luidruchtige manier van reageren uwerzijds volstrekt ongewenst is en zou wijzen op een ernstig wanbegrip omtrent de praktische gevolgen van uw daden. Er is een grote wijsheid van het korenveld te leren; de halmen, die buigen op den wind, richten zich weer op, straks rijpend tot voedend graan; maar de lede stormvlaag, als hij straks voorbij is, is niets meer, noch ook de halm die weerbarstig zijnde, gebroken werd.

Wel zijn er twee daden, die ons allen ten volle betamen: Vooreerst te helpen den nood te lenigen, die thans in vele gezinnen ontstaan zal, en trouw onze Joodse vrienden en kennissen op te zoeken en hun onze hoogachting te doen blijken. En ten tweede zelf, als Nederlanders, als universiteitsmensen, en bovenal als christenen trouw te zweren aan de beginselen van mensenwaarde, gerechtigheid en naastenliefde, geworteld in en verkondigd door het oude en nieuwe verbond, en nooit te vergeten dat Christus ons leert in de Heilige Schrift (Johannes 4, 22) “Gij lieden aanbidt wat gij niet weet; wij aanbidden wat wij weten, want de zaligheid is uit de joden.”

Mag ik U daarom verzoeken, thans een volle minuut in deze geest met mij te willen zwijgen?

Deze studente gaat verder, zelf sprekend:

Hoewel totaal anders en korter dan hetgeen Cleveringa die ochtend had gezegd, was Van Holks toespraak niet minder moedig. Ik herinner mij het exact, ook het gezeefde licht door de ramen, de stilte en de beklemming, de paar dozijn ademloos luisterende studenten, we wat archaïsch en poëtisch aandoende maar tegelijk zo reëel indringende zinnen waarmee de hoogleraar zijn verontwaardiging en zijn mededogen uitte èn zijn studenten opriep – zoals ook Cleveringa had gedaan – zich voorlopig naar buiten toe te onthouden van heftig vertoon van verzet, maar wèl zich te bekommeren om degenen die door de Duitse maatregelen waren getroffen, en zich innerlijk te wapenen.

Nadat wij op zijn verzoek een minuut stilte in acht hadden genomen, kondigde hij aan dat hij ‘gewoon’ college zou geven in het kader van zijn onderwerp van die cursus, de Stoa. Er ging even een rimpeling van teleurstelling en ontnuchtering door de rijen, want niemand zou na het gehoorde veel belangstelling voor de een of andere oude Griek kunnen opbrengen. Toen hij echter zei dat hij die middag zou spreken over de 17de-eeuwse Joodse wijsgeer Baruch de Spinoza begrepen wij onmiddellijk zijn bedoeling. (…) Van Holk sprak briljant, bevlogen, en in dit college over het begrip ‘vrijheid’ en over de doorwerking van de stoïcijnse houding bij Spinoza uitte hij evenzeer zijn protest tegen de ‘jodenmaatregelen’ van de bezetter als in zijn protest-rede aan het begin van dat uur.

 

Vervolg

Anders dan Cleveringa werd Van Holk niet direct gearresteerd. In 1941 publiceerde hij Judas Iskarioth: Een overdenking  over den verrader en het verraad. Hoewel het qua tekst geheel over de discipel ging die Jezus verraden zou hebben, zal op dat moment de lezer er ook een actuele betekenis aan hebben gegeven. Een citaat van de laatste bladzijden (55-56):

De misrekening. Het kwaad raast vergeefs. Niet alleen vernietigt het zichzelf, maar het dient ten slotte toch nog voor de vollediger overwinning van het goede, en ondergaat ook nog deze vernedering, dat het een omweg is tot wat het niet wil. (…) De omweg moge lang zijn, hij voert toch eenmaal tot de hoofdweg terug.

Op 30 mei 1942 kreeg hij ontslag van de Leidse Universiteit, officieel op eigen verzoek. Hij werd vervolgens gearresteerd. Hij heeft de latere jaren van de bezettingstijd met andere gegijzelden doorgebracht in Haaren en Beekvliet in Sint Michielsgestel. Na de oorlog keerde Van Holk terug naar de universiteit. In 1964 ging hij met emeritaat. In 1982 overleed hij op 88-jarige leeftijd in De Bilt.

Ik wil besluiten met de slotzin van dr. Van Benthem Jutting in haar artikel, enkele maanden na het overlijden van Van Holk:

Het historische en onvergetelijke uur op 26 november 1940 dat ik hier heb beschreven, bewees zijn onverzettelijkheid en zijn moed.

 

Bronnen

W.C.S. van Benthem Jutting. “Van Holk in protest op 26 november 1940 tegen schorsing van joodse hoogleraren”. Mare, 25 november 1982, p. 10. Ook als: “Het protestcollege van L.J. van Holk op 26 november 1940.” Remonstrants Weekblad 18-12-1982, p. 8-10; idem: Ter Herkenning 11 (5, December 1983), pp. 155-158.

H.J. Heering, “Holk, Lambertus Jacobus van (1893-1982)”. Biografisch Woordenboek van Nederland. (Den Haag, 1985). http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn2/holk [12-11-2013]

G.J. Hoenderdaal, “Het vrijzinnig protestantisme tussen de schaduwen van gisteren en morgen (1925-1940).” Pp. 161-297 in Tussen Geest en Tijdgeest: Denken en doen van vrijzinnig protestanten in de afgelopen honderd jaar, red. B. Klein Wassink, Th.M. van Leeuwen. Utrecht: De Ploeg, 1989.

L.J. van Holk, De Boodschap van het Vrijzinnig Christendom. Amsterdam: H.J. Paris, 1939.

L.J. van Holk, Judas Iskarioth: Een overdenking over den verrader en het verraad. Leiden: Leidsche Uitgeverij, 1941.

Spinozablog: “70 jaar geleden: Spinoza-college als protest tegen Duitse maatregel.” http://spinoza.blogse.nl/log/70-jaar-geleden-spinoza-college-als-protest-tegen-duitse-maatregel.html, 25-11-2010.

[i] De tekst van het college zou ook gepubliceerd zijn in Vrije Nederland in 1976. Het Spinozablog noemt nog een andere bron, nl. Peter Bak, in een serie ‘Markante protestanten’.