Levensloop
Willem Drees (1922-1998)
Wim
Drees werd geboren op 24 december 1922 in het gezin van de Haagse SDAP-wethouder
en latere Minister-President Willem Drees. Lange tijd werd hij vanwege de
overeenkomst in naam aangeduid als W. Drees jr.
Vanaf het midden van de jaren zeventig liet hij bewust het achtervoegsel
‘junior’ weg; zijn vader (1886-1988) noemde zich sindsdien W. Drees sr.
Na
in 1940 het eindexamen van het Haagse gymnasium te hebben afgelegd, ging hij in
Rotterdam economie studeren. In de jaren van studie en bezetting. In deze voor
een mens zo invloedrijke periode rond het twintigste levensjaar is de hem
karakteriserende combinatie aan te treffen van grote betrokkenheid én
zelfbeheersing, van principieel denken op een wijze die belangen ver weg en
dichtbij gelijkelijk gewicht wil geven en tactisch zorgvuldig afwegen.
Voor wat betreft zijn vak, de economie, was Jan Tinbergen één van
zijn grote voorbeelden. De latere Nobelprijswinnaar Tinbergen was bij uitstek
een man die economie zag als wetenschap in dienst van de publieke zaak –
gericht op beleid dat werkloosheid en verspilling tegen zou gaan, gericht ook op
een rechtvaardigere verhouding tussen rijke en arme landen. In de dertiger jaren
– met de grote economische crisis met dramatische werkloosheid en armoede –
was Tinbergen een van de architecten van het Plan van de Arbeid, voorstellen
vanuit de vakbeweging en de SDAP, de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij. Na
de bezettingsjaren kreeg Tinbergen de kans om die rationele en geëngageerde
benadering van het beleid van de overheid uit te werken door het opzetten van
het Centraal Planbureau. Tinbergen verzamelde jonge economen rond zich bij het
planbureau. Na de bevrijding komt de net bij hem afstuderende econoom Wim Drees
ook daar te werken. Enkele van die jonge Nederlandse economen trekken de wereld
in, naar organisaties zoals de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds,
die gevormd zijn om op wereldschaal samen te werken aan stabiele verhoudingen (naar
aanleiding van de crisisjaren) en wederopbouw (na de Tweede Wereldoorlog). In
1947 kwam de kans voor Wim Drees om ook die stap te maken, naar het
Internationaal Monetair Fonds in Washington, waar hij tot 1950 zou blijven.
Voordat hij naar Washington werd uitgezonden, diende hij echter eerst
internationale ervaring op te doen in Nederlands-Indië. Vandaar dat hij in 1947
eerst zeven maanden als Nederlands ambtenaar in Batavia, de hoofdstad van
Nederlands-Indië, was. Na zijn werk bij het IMF keerde hij in september 1950
weer terug naar diezelfde stad, nu na de onafhankelijkheid van Indonesië
Djakarta geheten. Hij werd er hoofd van de Financiële Afdeling het Nederlandse
Hoge Commissariaat – de benaming van de Nederlandse ambassade ten tijde van de
Nederlands-Indonesische Unie. Hij kwam als opvolger van jonkheer Emile van
Lennep, een andere Nederlandse ambtenaar en diplomaat uit de naoorlogse periode.
In 1953 keerde hij terug in Nederland, eerst bij het Ministerie van
Financiën en vervolgens als onderdirecteur van het Centraal Plan Bureau. Van
1956 tot 1969 was hij Directeur der Rijksbegroting bij het Ministerie van
Financiën, waar Emile van Lennep als Thesaurier-Generaal zijn directe chef werd.
Als Directeur Rijksbegroting was hij, in nauw overleg met ministers van Financiën
zoals Hofstra, Zijlstra, Vondeling en Witteveen, betrokken bij beslissingen over
rijksuitgaven van velerlei aard. Daarbij is te denken aan incidentele uitgaven
zoals die betreffende het verwerven van de Van Gogh-collectie die in Amsterdam
in een apart museum is ondergebracht. Maar vooral ging het om de
onderhandelingen met andere departementen over alle aspecten van het financieel
beleid – de begroting van het rijk, zoals die ieder jaar op Prinsjesdag, de
derde dinsdag van september, wordt gepresenteerd, maar ook de financiële
gevolgen van andere wetgeving. In 1969 volgde hij Emile van Lennep op als
Thesaurier-Generaal.
Hij was echter in die jaren niet alleen een ambtenaar ‘achter de
schermen’. Hij was ook een deelnemer aan het publieke debat over
overheidsbeleid. In 1955 promoveerde in Rotterdam hij op een proefschrift over
het niveau van de Nederlandse overheidsuitgaven, On
the Level of Government Expenditure in the Netherlands after the War. Vanaf
1963 was hij, ook in Rotterdam, buitengewoon hoogleraar in de Leer der Openbare
Financiën. Hij was een van de mensen die het initiatief namen tot de oprichting
van een zelfstandig onderzoeksinstituut, het Instituut voor Onderzoek van
Overheidsuitgaven, dat in het tijdschrift Openbare
Uitgaven en diverse rapporten het beleid van de overheid op kritische en
belangeloze wijze probeert aan de orde te stellen. Over de combinatie van
ambtelijke functies en een hoogleraarschap zei mevrouw Jeltje van Nieuwenhoven,
de Voorzitter van de Tweede Kamer, bij de herdenking in de Tweede Kamer op 9
september 1998: ‘een combinatie van functies die het hem mogelijk maakte
enerzijds grote invloed te hebben op het regeringsbeleid en daar anderzijds
tegelijkertijd commentaar op te kunnen leveren’. Want hij wilde bijdragen aan
verstandig beleid, maar tegelijk was hij een commentator die in colleges,
lezingen, artikelen en boeken kritische kanttekeningen bij het politieke proces
plaatste. Een combinatie van rollen die een enkele keer problemen gaf. Zo leidde
zijn uitspraak dat de Minister van Financiën de beste vriend van de
belastingbetaler is, in 1965, tot kamervragen.
In de jaren vijftig was Drees ook actief in de Partij van de Arbeid,
onder meer als voorzitter van een afdeling van de federatie Den Haag
(1955-1958). In de jaren zestig was hij lid van de Partijraad van de PvdA. Ook
was hij van 1955 tot 1969 lid van het curatorium van het wetenschappelijk
bureau, de Wiardi Beckman Stichting, waarvan o.a. J.M. den Uyl directeur was.
In
1970 verliet hij echter de PvdA en werd lid van de pas opgerichte partij
DS’70. Democratisch-Socialisten ’70 was een afsplitsing van de Partij van de
Arbeid, met name gestimuleerd door bezorgdheid over de invloed die Nieuw-Links
binnen die partij had verworven. Op 8 januari 1971 werd
Wim Drees ‘een publieke figuur’ toen hij werd gepresenteerd als de
lijsttrekker voor de politieke partij DS’70 (Democratisch-Socialisten ’70).
Bij de verkiezingen in mei 1971 behaalden deze nieuwe partij acht zetels.
DS’70 presenteerde zich met nadruk als een partij die linkse en rechtse
dictaturen afwees, en in die zin een trouw aanhanger van het bondgenootschap met
Amerika. Met name kwamen ze in de publiciteit door kritiek op het beleid van de
overheid inzake de rijksuitgaven op een aantal terreinen. In het programma en
een rede tot het partijcongres blijkt echter dat de aandacht voor rijksuitgaven
samenging met aandacht voor vraagstukken van ruimtelijke ordening, milieubeleid,
rechtvaardigheid en dergelijke; het is misvatting dat de beleidsombuigingen
alleen gericht waren op bezuinigingen. Omdat de Partij van de Arbeid
samenwerking met de christendemocratische partijen en de VVD uitsloot, was er
geen meerderheid te vormen zonder de inbreng van DS’70.
Drees werd minister in het kabinet-Biesheuvel, gevormd door de KVP, ARP en CHU – partijen die later opgingen in
het CDA –, de VVD en DS’70. Het hem toegewezen departement van Verkeer en Waterstaat hield zich
bezig met zaken die al lang zijn belangstelling hadden: ruimtelijke ordening,
milieu en transport. Hoewel hij slechts één jaar minister was, valt goed te
verdedigen dat dit jaar een breuk is geweest in het denken op deze
beleidsterreinen. Na een jaar, in de zomer van 1972, kwam aan het kabinet
Biesheuvel een einde doordat Drees en de andere minister van DS’70, De Brauw,
begrotingsvoorstellen van Biesheuvel onuitvoerbaar achtten. Over het ultimatum
van de Minister-President dat tot deze breuk leidde, schreef Drees later in zijn
boek Ontwrichting dat het ‘qua
motivering een mysterie is gebleven’ (blz. 179).
Na de breuk in het kabinet werd hij lid van de Tweede Kamer
(1972-1977). Na verkiezingen, eind 1972, werd uiteindelijk een kabinet gevormd
onder leiding van de PvdA-voorman J.M. den Uyl, gesteund door PvdA, D’66 en
PPR (later opgegaan in Groen Links) met gedoogsteun van KVP en ARP, die ook
enkele ministers leverden. Het zijn jaren van oplopende rijksuitgaven (zie o.a.
zijn kritiek op de Duisenberg-norm) en de onafhankelijkheid van Suriname. Deze
onafhankelijkheid ging gepaard met een grote volksverhuizing van Suriname naar
Nederland, een ‘ontvolking’ van Suriname die DS’70 heeft willen tegengaan
in het belang van Suriname en van Nederland. Als kamerlid heeft hij zich in die
jaren met veel verschillende zaken beziggehouden. Zo nam hij het initiatief tot
een soberdere voorziening voor pensioenen voor ex-politici, maar ook tot het
herstel van het Binnenhof als een plein met een fraaie fontein in plaats van een
parkeerterrein.
Het laatste openbare ambt dat hij bekleedde, van 1977 tot 1984, was als
lid van de Algemene Rekenkamer – in ons land het hoogste controlerende orgaan
op financieel terrein. Dat werk speelde zich weer meer achter de schermen af;
tenslotte kan een rechter zich ook niet publiekelijk uitlaten over de zaken die
hij beroepsmatig onder handen heeft. Wel is op te merken dat juist in deze jaren
de Rekenkamer een actiever beleid is gaan voeren, niet alleen ten aanzien van de
rechtmatigheid van uitgaven (Is het wel volgens de regels?) maar ook ten aanzien
van de doelmatigheid (Is het wel een zinvolle uitgave?).
Gelegenheid tot openlijk commentaar kreeg hij weer meer nadat hij in
1984 bij de Rekenkamer vervroegd met pensioen was gegaan. Uit deze jaren stammen
allerlei boeken, artikelen en lezingen. Ook was hij betrokken bij adviezen op
uiteenlopende terreinen. Zo was hij onder meer voorzitter van een commissie die
over de financiering van de AOW-pensioenen in de toekomst moest adviseren en lid
van de Nationale Adviesraad voor Ontwikkelingssamenwerking. Ook de
internationale oriëntatie die in het begin van zijn loopbaan zo nadrukkelijk
aanwezig was, en waar sindsdien afgezien van een missie van drie maanden naar
Tanzania, Kenya en Uganda in 1962 weinig ruimte voor was geweest, kwam weer meer
aan bod. Zo leidde hij op verzoek van internationale organisaties missies naar
Zambia en Thailand.
Bij zijn zeventigste verjaardag verscheen van het tijdschrift Onderzoek
van Overheidsuitgaven een themanummer met als titel ‘Het gelijk van
Drees’. Meer dan steun en stemmen kreeg hij achteraf erkenning voor zijn
inzichten over beleid en de wijze waarop beleid tot stand komt. Overigens is het
niet verbazend dat hij voor zijn artikelen weinig adhesie kreeg, omdat hij juist
publiceerde over dat wat er volgens hem niet goed liep.
Op zaterdag 5 september 1998 is Willem Drees in Den Haag overleden.
In
oktober 2000 is verschenen:
Willem
Drees, Gespiegeld in de tijd: De nagelaten autobiografie (Amsterdam:
Balans).