Harry Kuitert ter nagedachtenis: Radicaal om conservatief te zijn

Harry Kuitert ter nagedachtenis: Radicaal om conservatief te zijn

Radicaal om conservatief te zijn

Bij het overlijden van Harry Kuitert, 8 september 2017, in dankbaarheid.

Harry Kuitert is radicaal geweest om conservatief te zijn. Goed lezen. Hier staat niet: Hij is te radicaal om conservatief te zijn, alsof het om de radicaliteit zelf zou gaan. Naar mijn indruk was het doel van de radicale kritiek op christelijk geloof voor hem het behouden van de kern. Om de kern te behouden, het wezen van het religieuze geloof, meende hij allerlei ballast overboord te moeten zetten. Mensen te moeten informeren over historisch onderzoek en andere ontwikkelingen die geliefde vanzelfsprekendheden ter discussie stellen. Geliefde vanzelfsprekendheden van ‘progressieve’ gelovigen (o.a. in Alles is politiek, maar politiek is niet alles), de vertrouwde woorden van meer orthodoxe snit (o.a. in Het algemeen betwijfeld christelijk geloof), én de hobby’s van nieuwe liefhebbers (o.a., Over religie: aan de liefhebbers onder haar beoefenaars). De naakte waarheid verdient de voorkeur boven schone schijn, dat lijkt een rode draad in zijn werk.

 

Die keuze voor de naakte waarheid lijkt mij intellectueel én moreel gemotiveerd, maar ook theologisch én pastoraal. Laat ik om dat duidelijk maken de film van de Engelse cabaretgroep Monty Python over het leven van Brian gebruiken. Brian is een figuur die zo’n tweeduizend jaar geleden in Palestina geboren zou zijn, een tijd- en plaatsgenoot van Jezus. Brian krijgt een schare volgelingen, meer dan hem lief is. Op een gegeven moment rent hij weg, op de vlucht voor die schare bewonderaars. Al rennend verliest hij een sandaal. Sommige achtervolgers zien dit als een teken om na te volgen – ‘wij moeten allemaal onze linker sandaal uit doen’. De waarom-vraag is niet relevant; het geloof bestaat nu eenmaal uit vreemde gebruiken en uiteindelijk is het geloof toch een mysterie.

 

Kuitert richtte zich in Over religie (2000) – de boekpresentatie was de gelegenheid voor deze toespraak –  volgens de ondertitel tot de liefhebbers onder haar beoefenaars. Die zijn zoals die volgelingen van Brian die zich van hun sandaal ontdoen, begeesterd zonder kritische zin. Mensen die de wierook en het religieuze theater liefhebben, de nieuwe katholieken die zich op schoonheid en emotie richten. En de bonte verzameling van opties die als ‘New Age’ worden aangeduid. En de intellectuele liefhebbers, de protestantse systeembouwers die met ijver, vlijt en vernuft hun wijsgerige en theologische luchtkastelen opbouwen. Want in het spoor van Kuitert mag je wel spreken van leerstellige luchtkastelen, imposant maar niet realistisch, niet goed verankerd. Liefhebbers spreekt hij kritisch aan – want met alle pracht, praal en pretentie ondermijnen zij de geloofwaardigheid van de religie. Te vroeg roepen dat er sprake is van een mysterie omdat jij een puzzel niet op kan lossen, maakt van mysteries puzzels, maakt van de Bron van alles de stoplap voor onze domheid.

Liefhebbers zijn er in allerlei soorten en maten. Naast de zojuist aangeduide liefhebbers van het ‘overstatement’, in leerstellige of liturgische zin, zijn er ook al die gewone mensen die met hun onzekerheid, hun angst en verdriet, beschutting zoeken in een geloofsgemeenschap en geraakt zijn door een traditie. Kuitert laat hen niet in de kou staan. Hij is in zijn werk, ook in kritische boeken als Over religie, naast een filosoof en theoloog die de traditie kritisch bevraagt ook een pastor die met de mensen begaan is. Misschien komt die pastorale betrokkenheid wel eerst, en is hij juist daarom zo kritisch over de luchtbellen, de schone schijn die zo vaak aan mensen verkocht wordt als echt geloof. De vraag is wie de echte mensenvriend is: de kwakzalver met de mooie praatjes en smeerseltjes, of de scepticus die vraagt wat echt betrouwbaar is.

De eerste zin van Over religie is dan ook: ‘Laat je niet bij de neus nemen!’ En even later klinkt met de prikkelende vraag die bij de profeten past: ‘Wat hebben jullie, waarom windt de eerste de beste jullie zomaar om zijn vinger? Zijn liefhebbers per definitie goedgelovigen, die iedere rattenvanger met het grootse gemak achter zich aan krijgt? Tegen de wind in maïs blazen, met z’n twintigen een zweethut worden ingepropt, sacrale maaltijden opdienen – kom nou, hebben jullie niet stevigers gevonden om de tanden in te zetten?’ (18) We zijn onzeker, en dreigen in de handen van ‘leugengeesten’ te vallen wanneer we afgaan op de ‘zogenaamde doorgevingen die op naam staan van Jakob Lorber, David Neal Walsh, Helen Schucman [van de Course in Miracles], of hoe ze verder ook mogen heten’. Kijk maar wat ze beweren; ‘dat is behalve kolossale bluf ook nog eens totale onbelangrijkheid, zo niet erger: het bedriegen van goedwillende en eenvoudige mensen.’ (201)

Onzin is niet alleen intellectueel te betreuren; het is misleiding van mensen én het leidt af van de zaak waar het echt om gaat. In een tijd van secularisatie lijkt het wel alsof allen die iets geloven bij elkaar moeten schuilen tegenover hen die niets geloven, maar Kuitert trekt de scheidslijn terecht anders – want de vraag is niet of je gelooft, maar wat je gelooft, hoe betrouwbaar dat is.

 

Francis Bacon (1561-1626) is een van de oervaders van het denken over wetenschap. Hij is in onze tijd bekritiseerd vanwege zijn seksistische taalgebruik – zo spreekt hij van wetenschap als het ontsluieren van de natuur, gericht op het herstel van de menselijke heerschappij over de natuur. Met name wil ik hier van Bacon echter noemen de vier afgoden die hij beschreef, de ‘idols’ die hij benoemde als denkbeelden die ons bij het zoeken naar ware kennis in de weg staan. Er zijn de idolen van de stam, eigen aan de menselijke aard – de misvatting dat onze zintuigen directe kennis van de werkelijkheid geven, de invloed van onze gevoelens en verlangens op ons oordeel over wat het geval is. Er zijn ook de idolen van de grot, de misvattingen die ontstaan doordat we ons eigen perspectief als de waarheid aannemen, de schaduwen aanzien voor de werkelijkheid. Er zijn de idolen van het marktplein, de misvattingen die ontstaan doordat we taal gebruiken die meerzinnig is; misvattingen ook doordat we bij woorden denken aan echte entiteiten, onvoldoende bedacht zijn op ficties. En er zijn idolen van het theater, van de systemen van filosofie en theologie die de werkelijkheid voor ons ensceneren, en daarmee het zicht op die werkelijkheid verstoren.

Bij Kuitert zie je, zonder dat hij ze zo benoemt, een ijverige strijd tegen deze idolen. Voorop staat de strijd tegen de idolen van het theater, dat wil zeggen van de theologische systemen, en tegen de idolen van de marktplaats, bijvoorbeeld wanneer het gaat over zo eenvoudige woordjes als ‘god’ en ‘geloven’. Wat is geloven? ‘Geloven, althans in christelijke zin, is wat anders dan er een aantal merkwaardige voorstellingen op na houden over God, Jezus, hiernamaals en wat niet al. Ze doen hun dienst, die voorstellingen, maar ze vervangen niet geloven als betoon van geest en kracht.’ (Over religie, 12). De voostellingen zijn niet zo belangrijk. Maar geloven gaat voor hem ook niet op in ‘ontroering en vervoering’, geruststelling en geborgenheid, een prettig gevoel. Geloven kan, wil het nog geloven mogen heten, niet opgaan in de functie voor de gelovige.

Het zijn niet de voorstellingen, maar ook niet de gevoelens – geloven is gericht op de werkelijkheid die in die voorstellingen geïnterpreteerd wordt en die die gevoelens oproept. Het gaat hier om de thematiek die verbonden is met de beroemdste zin uit de Nederlandse theologie, ‘alle spreken over Boven komt van beneden, ook de uitspraak dat iets van Boven komt’. Deze uitspraak, ook van Kuitert, relativeert het belang van de leer en de voorstellingen – het is menselijk spreken, beperkt en feilbaar, constructies – maar laat tegelijk staan dat het gaat om spreken over boven. Door ons spreken willen wij zo goed als mogelijk ergens naar verwijzen. De ontvankelijkheid is er voor dat wat van elders komt, maar alles wat er beweerd wordt, staat als menselijk spreken ter discussie.

Datgene waar naar verwezen wordt is vanouds, althans in de hier gangbare tradities, met het woord ‘god’ of ‘goden’ aangeduid. Een woordje dat, zo vertelt ons Kuitert, lang niet zoveel voorstelt als mensen denken. Het woordje ‘god’ is in eerste instantie een soortnaam, van toepassing op Griekse goden en de goden van Babylonië, de goden van India en Afrika, van de zee en de bergen, goden van de boom en van de bron. Maar het is een soortnaam die vaak gebruikt wordt als een eigennaam, de ene God. Door de eigen stamgod God te noemen, worden al die andere goden ter zijde geschoven. Deze pretentie van exclusiviteit brengt zo z’n problemen met zich mee. Teruggrijpend op de vier idolen van Bacon die ik eerder noemde – hier moeten we oppassen voor het idool van de grot, de neiging om ons eigen perspectief aan te nemen voor het ware licht.

Als we bij ‘god’ ons niet al te zeer ons richten op de christelijke toe-eigening van de joodse volksgod, dan is het een woord dat velen verstaan. Overheersend is daarbij het beeld van God als een uitvergroot mens, vaak een man maar een uitvergrootte vrouw is evenzeer een probleem. We kunnen wel spreken over God als over een mens, maar dat is een vergelijking waarbij we met lege handen staan. We zeggen dat Jan op Piet lijkt, terwijl we Jan nooit hebben gezien. Spreken over God als over Iemand is een voorbeeld, om terug te grijpen op de idolen van Bacon, van de misvattingen van de marktplaats: van een woord dat functioneert op de marktplaats stappen we te lichtvaardig over op de gedachte dat er dus een ding is, of in dit geval een Persoon, waar dat woord op slaat. Kuitert meent dat dit godsbeeld niet houdbaar is, mede omdat we niet op die manier over onze werkelijkheid kunnen spreken als product van het handelen van een persoon – de evolutie vervangt die kijk op God. En wanneer je vervolgens bij de evolutie toch een Lief en Aardig Iemand denkt, dan is de vraag waarom de evolutie zoveel problemen met zich mee heeft gebracht, zo veel erfelijke ziekten, parasieten en wat niet al. Kuitert neemt in zijn latere werk zoals Over religie afscheid van de gedachte dat God het beste als persoon kan worden gedacht. En al helemaal van de God die privileges uitdeelt, een beeld dat gegarandeerd leidt tot frustraties wanneer de privileges ons niet toevallen. Spreken over God als Iemand kan soms een goede functie hebben; dat is op zich te begrijpen en te aanvaarden, want, zoals hij zegt, ‘zonder teddybeer vaart niemand wel’. Het geeft ‘rust in de psychische tent’, maar dat is niet voldoende.

 

Wat dan wel? Het tweede deel van Over religie, met als titel ‘Terugvinden’ begint als volgt: ‘Wil religie meer zijn dan een middel om rustig te worden, meer zijn dan een placebo (‘ik zeg altijd maar: als ze er maar baat bij hebben’), dan moet het religieuze gevoel teruggaan op wat onze subjectieve ervaring overstijgt en tegelijkertijd oproept.’ (115) Zo komt hij uit bij de ‘religieuze oerervaring’ die ‘aan de wortel van alle religies ligt’. Voor de kenners mag het duidelijk zijn hoe dicht hij hier bij Friedrich Schleiermacher staat, op wiens Reden: An die Gebildeten unter ihren Verächternd uit 1799 de titel geënt is. Niet de traditie bepaalt in eerste instantie de invulling, niet de leer van de drie-eenheid of het geloof der vaderen; het spreken over god of over de grond van het bestaan is uiteindelijk te zien als een interpretatie van een oerervaring van afhankelijkheid.

Hoe zullen we over datgene wat zich meldt in de oerervaring te spreken? Om het zo beladen en misverstane woord ‘god’ te vermijden, gebruikte Kuitert gebruikt in Over religie soms het woord ‘Macht’. Macht die op verschillende manieren nader geïnterpreteerd kan worden – als macht waarin wij geborgen zijn, als macht die ons een uitdaging stelt, als macht die de vraag oproept wat of wie er achter steekt. De psalmen waarin de biochemicus en dichter Leo Vroman zich wendt tot ‘Systeem!’ zijn een interpretatie van die Macht. Door afhankelijkheid van de Macht centraal te stellen, maakt Kuitert een keuze in het godsbeeld. God is primair aan de orde als schepper, als bron van het bestaan. Wat ook betekent dat alle ambivalentie die in de werkelijkheid aanwezig is, het goede en het kwade, aan de Macht is toe te schrijven. ‘De werkelijkheid, dat is de bloeiende brem, dat is ijzer dat niet drijft, dat is de slag aan de Marne, dat is Auschwitz, de koekoek en de nachtegaal, je geliefde die aan MS te gronde gaat, en de Teunisbloem die ’s avonds zijn bloembladen openvouwt. Onze platvloerse, verheven, verschrikkelijke, alledaagse of hoogst ongewone werkelijkheid. En niet een Schepper los daarvan, ergens hoog boven deze werkelijkheid zwevend, maar de Schepper als de werkelijkheid in haar macht over ons. God is als Schepper zijn schepselenwereld, de werkelijkheid.’ (178) Ook de beeldspraak van boven en beneden is maar beeldspraak; ‘aanwezig zijn in’ lijkt een alternatief.

 

In het werk van Kuitert is er veel waar oude en nieuwe gelovigen zich boos over kunnen maken. Dan miskennen ze echter hoe bij Kuitert de ontmanteling ten dienste staat van geloofwaardig geloof. Wat mij betreft heeft Kuitert in zijn zoektocht een juiste koers – we kunnen niet om de vragen heen, we moeten onze kennis en onze kritische zin ook inbrengen in de wereld van het geloof. Juist daar, om te weten wat heilzaam en wat dwaasheid is. Maar laat ik niet alleen maar instemming betuigen, en afsluiten met twee kanttekeningen.

 

Kuitert vindt uiteindelijk de naakte waarheid, de kern, in die oerervaring. Ik zou willen dat dat voldoende is, maar aarzel. Ik heb als beeld een figuur uit de Donald Duck in gedachten. De neefjes Kwik, Kwek en Kwak staan weer eens voor een probleem – een arrogante, grote tegenstander. Een paar plaatjes later zie je een figuur die qua lengte opgewassen is tegen de boze tegenstander, die vervolgens wegvlucht. Maar wanneer de mantel openvalt, dan blijkt de reddende held niet één figuur te zijn, maar de drie neefjes die op elkaar staand één gestalte vormen. Is het één figuur of is het een samenspel van verschillende figuren? Zo ook vraag ik me dat af ten aanzien van de ervaring: Is het dezelfde ervaring die achter alle religies steekt, alleen verschillend bekleedt? Of zijn er verschillende ervaringen in het geding, die samen gebracht zijn in het kleed van de religie? Vinden we een enkelvoudige Waarheid of een veelheid aan waarheidjes? Vinden we religie, als een zaak die in alle culturen uiteindelijk dezelfde kern heeft, of vinden we religies, telkens weer anders, tot in de kern toe? Hoe zullen we omgaan met religieus pluralisme? Juist doordat ik in Leiden te maken heb gekregen met een opleiding theologie, gericht op het christendom, én een opleiding ‘wereldgodsdiensten’, is voor mij de vraag naar de aard van de verscheidenheid steeds belangrijker geworden. Kunnen we daar op deze wijze recht aan doen?

 

Verder heb ik ook een vraag bij het spreken over God als ‘Macht’, als schepper, als bron van het bestaan. In de praktijk van de moderne wetenschap is er ook techniek. ‘Macht’ is niet alleen verbonden met onze afhankelijkheid van een werkelijkheid die groter is dan wij zijn, een werkelijkheid die aan ons vooraf gaat. Macht is ook het resultaat van wetenschap; door de werkelijkheid steeds beter te begrijpen, zijn wij zelf steeds machtiger geworden. Met de techniek kunnen we steeds meer ‘voor God spelen’, zelf macht uitoefenen. Wat dat betreft ben ik benieuwd hoe je verder kan denken over menselijke macht, het menselijke spelen voor God – positief bedoeld, als aspect van de menselijke aard en taak. Te veel alleen de afhankelijkheid benadrukken, lijkt mij nog maar het halve werk. Ook in relatie tot de techniek dreigen we God te introduceren in relatie tot de gaten, in dit geval in ons kunnen in plaats van ons kennen, en dus geloof te verbinden met onze onmacht. Maar met de techniek verandert de cultuur en verandert de mens, ook in relatie tot ‘de Macht’ – niet dat we een onbegrensde macht hebben, maar wel een verrassend sterk toegenomen macht én verantwoordelijkheid. Vandaar dat ik over God niet alleen zou willen spreken als over de bron van het bestaan, haar dragende grond, maar ook als symbool waarin onze normatieve overtuigingen zijn samengevat – dus als diepste grond én als hoogste goed. Niet dat dat samenvalt; het natuurlijke is niet per se goed want ook planten produceren gif. Wel dat die spanning, tussen oorsprong en doel, de spanning is die we vol moeten houden.

 

Enfin, zo heb ik mijn vragen, en daarmee aanleiding tot verder denken over menselijke macht en onmacht, techniek en religie, en over menselijke verscheidenheid, geloof, pluralisme en godsdienstwetenschappen. Kuitert heeft ons heel wat te denken gegeven, juist door zijn kritische vragen en zijn poging om dan toch verder te gaan, onder woorden te brengen wat nooit bevredigend gevat zal zijn. Een voorbeeld, juist in de moed om ook op het terrein van geloof en theologie niet je over te geven aan goedgelovigheid, maar te leven vanuit de deugd van gezonde achterdocht en verder te gaan, met kritisch en zorgvuldig onderzoek.

 

= = = = = = = = =

Bewerkte versie van een toespraak van Willem B. Drees van 12 oktober 2000, bij de presentatie in de Laurenskerk in Rotterdam van het boek van Harry Kuitert, Over Religie: Aan de liefhebbers onder haar beoefenaars (2000), hier geplaatst in dankbare nagedachtenis.